GeschiedenisEvolutie van het Cavaleriekamp

terug

Een Militair Kamp op de grote heide

Tussen 1830 en 1839 leefde België onder de voortdurende bedreiging van Nederland. De Tiendaagse Veldtocht van 1831 had dit bewezen, de weigering van Willem 1 om België te erkennen bevestigde het gedurende acht jaren. De jonge Belgische staat had dan ook behoefte aan de uitbouw van een militair apparaat. Al vanaf 1831 liet Leopold 1 daarom het leger reorganiseren. Hiervoor werd onder meer een beroep gedaan op Franse officieren. Eén van de elementen van die militaire reorganisatie was de uitbouw van militaire kampen. Dezen waren nodig als oefenkamp en als observatiepost tegen Nederland. Zo kwamen er bijvoorbeeld kampen in Diest, Zonhoven, Bouwel en Schilde. Die kampen beantwoordden echter om allerlei redenen niet volledig aan het beoogde doel. Er werd dus naar een andere plaats uitgekeken. Wat men nodig had was in de eerste plaats veel ruimte voor een groot kamp met uitgestrekte oefenterreinen, dicht bij de Nederlandse grens gelegen. De aanwezigheid van vers water was ook een belangrijke factor. De keuze viel op de Grote Heide ten noorden van Beverlo. In oktober 1834 kwamen Leopold 1 en de Franse generaals Hurel en Magnan ter plaatse op verkenning. Zij waren er onmiddellijk voor gewonnen om er een militair kamp op te richten. De plaats had een belangrijke strategische ligging: tegen de Nederlandse grens (Lommel was toen nog Nederlands) en dicht bij de weg Eindhoven – Hasselt – Maastricht. De ruimte was er overvloedig en de arme heidegrond kostte bovendien bijna niets. Tenslotte kon er ook nog voldoende drinkwater worden opgepompt. In mei 1835 kwam kapitein Renard met 1100 soldaten naar de Heide van Beverlo om er grote werken uit te voeren zoals:

  • het afbakenen en effenen van het terrein;
  • het aanleggen van toegangswegen;
  • het afbreken, vervoeren en wederopbouwen van 420 barakken uit het kamp van Diest;
  • het rechtzetten van 1250 tenten en een groot aantal strohutten;
  • het delven van 48 drinkwaterputten…

Stilaan groeiden een infanterie-, een cavalerie- en een artilleriekamp en ook een ambulantie- en geniepark. Er was logement voor 20.000 soldaten. Een “paleis” voor de koning en de minister van Oorlog en paviljoenen voor de generaals mochten eveneens niet ontbreken. Einde juli 1835 was het kamp klaar en in augustus kwamen de eerste 20.000 soldaten oefenen, in aanwezigheid van de koning Leopold I.

 

De carrés van 1837

Hevige windvlagen, zandstormen en een reuze orkaan in november 1837 hadden veel schade berokkend aan barakken, tenten en strohutten. Daarom werd in 1837 een nieuw infanteriekamp gebouwd dat uit negen “carrés” bestond. Elke “carré” was een kazerne van 90 meter in het vierkant met een waterput in het midden. De wanden bestonden uit een laag stenen muurtje met een bovenbouw uit hout en leem. De daken werden met stro bedekt.

Lithografie

Oude lithografie van de carrés anno 1837

Alle militairen uit die tijd droegen een kaki muts met floche, waar ze bijzonder fier op waren. Bij soldaten die door de krijgsraad veroordeeld waren werd de floche van de muts afgenomen.

De uitbouw van het definitieve kamp

Na de vrede met Nederland in 1839, besliste Pierre Emmanuel Chazal, toenmalig minister van Oorlog, in 1845 dat het Kamp van Beverlo een permanent militair kamp zou worden. Er zou alleen nog in goede baksteen en vast materiaal gebouwd worden. Eén jaar later zond hij de compagnie ‘sans floche’ , een tuchtcompagnie, naar het kamp om het zand van de heide tot op de turflaag weg te scheppen. Er werd een koninklijk park van 40 hectaren aangelegd dat werd doortrokken met bomen omzoomde lanen.

De burgers die in het kamp woonden gingen in het cavaleriekamp de paardenmest halen en begonnen groenten te kweken en aardappelen te planten.

Het militair hospitaal, opgetrokken rond 1848, bestond uit losse paviljoenen. Dit hospitaal was toen het eerste en het modernste in zijn soort in Europa.

Rond 1850 werd met de bouw van het definitieve kamp begonnen. In het infanteriekamp kwamen er acht secties die elk plaats boden aan 2.500 soldaten.

Er kwamen ook belangrijke logistieke installaties: een bakkerij met een capaciteit van 6.000 broden per dag, een slachthuis, een slagerij en douches met een capaciteit van 6.500 baden per dag. Er werd zelfs een militair smalspoornet met 115 km spoor doorheen het kamp aangelegd. Hiermee konden de soldaten en het materieel gemakkelijk vervoerd worden. Het spoormaterieel en de treinstellen kwamen uit de ateliers van de Franse ingenieur Paul Decauville.

Militaire Bakkerij

Station Decauville

Militaire Beenhouwerij

De modernisering bereikte haar hoogtepunt in 1913 met de bouw van meerdere grote messes, voor de eerste keer voorzien van elektriciteit en centrale verwarming. Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog was men volop bezig met de aanleg van elektriciteit in heel het kamp.

Na de Duitse inval in België en hardnekkige gevechten met onze troepen bij de belegering van Luik, de slag van de Zilveren Helmen te Halen en de belegering van Antwerpen, trok het Belgisch leger zich terug achter de Ijzer. In hun achtervolging op de Belgen lieten de Duitsers het noorden van Limburg, op enkele cavaleriepatrouilles na, onbezet. Generaal De Schepper, oud bevelhebber van het 11 de Linie Regiment uit Hasselt, werd bij de Duitse inval teruggeroepen als militair gouverneur van Limburg. Met een groepje van om en bij de 300 rijkswachters en vrijwilligers, zette hij zijn ‘kleine oorlog’ verder, in de vorm van guerrilla-activiteiten tegen de Duitse Uhlanen en Husaren. Zijn hoofdkwartier was gelegen in Leopoldsburg, in het toenmalig hotel Legentil (nu lounge café Beauregard II). In oktober 1914 moest hij de strijd opgeven en liet hij zich met zijn detachement in Nederland ontwapenen.

De Duitsers installeerden zich in het kamp alsof zij er voor altijd zouden blijven. Er kwamen nieuwe gebouwen bij en zij voerden de geplande werken van de Belgen verder uit. Bij hun vertrek in 1918 was heel het kamp dan ook voorzien van elektriciteit. Heel wat minder aangenaam was echter het uittesten van de eerste chemische wapens. Zo werd in het kamp voor de eerste maal met chloorgas geëxperimenteerd. Dit gas werd nadien door de Duitsers aan de Ijzer gebruikt, waardoor duizenden soldaten het leven verloren.

Militair Hospitaal

 Het interbellum (1919-1940) Eerste dorpskern

Net voor de eerste wereldoorlog was het Kamp van Beverlo uitgegroeid tot het grootste en modernste militaire kamp van Europa. Het had kazernes voor 40.000 militairen en 4.000 paarden, zeer grote messcomplexen, ruime oefenvelden en schietstanden. Vanuit alle garnizoenen kwamen de troepen in dagmarsen te voet naar het Kamp van Beverlo. Vanuit Oostende, Brugge, Gent, Antwerpen, Brussel, Charleroi en Luik. Ze deden elk jaar dezelfde kantonnementen aan en marcheerden triomfantelijk, met het muziekkorps van het regiment op kop, Leopoldsburg en het Kamp van Beverlo binnen.

Wanneer een regiment cavalerie met het muziekkorps te paard Leopoldsburg binnenreed kwam heel de bevolking op straat om het spektakel te aanschouwen.

’s Avonds kon men in Leopoldsburg over de koppen lopen: de militairen gingen hun dorst lessen in één van de talrijke cafés. In sommige cafés speelde een orkestje en de soldaten die het wilden mochten even het podium op, om een liedje te zingen. Het Kamp van Beverlo behoorde tot de best gekende plaatsen in België. In elke familie was er wel iemand die hier zijn kamp van vijf weken gedaan had. En generaties lang werd er verteld: over de bittere koude en de ijzige noorden- en oostenwind, de snikhete dagen en de bijtende zandstormen, de schietwedstrijden en het eten: ‘stoemp’ en ‘boeletter’. De wildste geruchten deden de ronde over de vele cafés, de mooie meisjes en de ‘kaberdoeskes’ (=cabarets. Zo’n cabaret droeg in de grote steden vaak het huisnummer 12, vandaar dat de Franstaligen spraken van cabaret-douze en de Vlamingen van Kaberdoeske) op Konterket…

 

De tweede wereldoorlog

Reeds op 10 mei 1940 vielen de eerste bommen op de Infanterieschool en op de ‘Compagnie Sans Floche’. Enkele achtergebleven soldaten verloren hierbij het leven.De Duitse bezetting gebeurde verder zonder noemenswaardige verwikkelingen en het kamp bleef (gelukkig) lang van bombardementen gespaard.

Van oktober 1942 tot november 1943 werden op een afgelegen plaats in het Gemeentebos 204 man, waarvan 176 erkende weerstanders, door de Duitsers gefusilleerd. De slachtoffers kwamen uit gevangenissen uit heel het land en werden ter plaatse begraven.

Op 12 mei 1944 bombardeerden de geallieerden het Kamp van Beverlo. Bij vergissing werd de Zuidstraat in Beverlo volledig vernield. Hierbij vielen 77 doden onder de burgerbevolking.Op 28 mei 1944 kwamen de geallieerde vliegtuigen terug en legden het infanteriekamp volledig plat. Nu vielen er honderden doden, vooral onder de Duitse soldaten.

Het cavaleriekamp werd door de Duitsers gebruikt als kamp voor politieke gevangenen en misdadigers van gemeen recht. Velen werden van hieruit naar concentratiekampen in Duitsland afgevoerd. Op 4 september 1944 gaven de Duitsers de bewaking over aan de Belgische Rijkswacht, het Rode Kruis en de politie- en brandweerdiensten. Iedereen die kon mocht naar huis terugkeren. Op 15 september 1944 gaf generaal Brian Horrocks in de toenmalige bioscoop Splendid (schuin tegenover het station) het historische order aan alle bevelhebbers van de landstrijdkrachten die deelnamen aan de operatie Market-Garden. Zij kregen de opdracht, via de as Lommel-Valkenswaard-Eindhoven-Vechel-Nijmegen, de luchtlandingstroepen in Nijmegen en Arnhem te versterken. Over deze historische gebeurtenis is de film ‘A Bridge too Far’ gedraaid, met de in 1999 overleden Dirk Bogaerd in één van de hoofdrollen.

v.l.n.r. Luitenant-Generaal Horrocks, Veldmaarschalk Montgomery en Z.K.H. Prins Bernard

De naoorlogse periode

Ten gevolge van het geallieerde bombardement in mei 1944 was het infanteriekamp een puinhoop geworden. Om deze puinhoop op te ruimen werden onmiddellijk na de bevrijding duizenden ‘incivieken’ (=personen die zich schuldig maakten aan collaboratie) ingezet.

Vanaf 1947 tot 1953 begon men met de wederopbouw van vijf van de vroegere secties van het infanteriekamp. Iedere sectie bood plaats aan 600 á 800 man. Buiten de pantsertroepen en de logistieke eenheden waren ook andere eenheden tijdelijk in het kamp gekazerneerd. Onder meer het vrijwilligersbataljon Korea, het 8ste Geniebataljon, het I ste bataljon Para en het 21 ste Transmissiebataljon waren er gelegerd.

In 1970 werd het Kamp van Beverlo ook garnizoen voor de Iste Pantserinfanteriebrigade. Het bataljon Bevrijding, traditiedrager van de ‘Brigade Piron’ kwam hier als eerste aan en de laatste eenheden installeerden zich in 1976. De kazernes werden gemoderniseerd en voor de families kwamen er honderden militaire woningen bij. Sedert de afschaffing van de militaire dienst en de terugtrekking van bijna alle militairen uit Duitsland, is het Kamp van Beverlo het grootste Belgische garnizoen.

This post is also available in: Engels